Peter en Jesse, twee dikke vrienden
Zo'n goeie vriendschap als tussen Peter en Jesse zag je
niet vaak.
Ze zaten op dezelfde school, in dezelfde klas en op
dezelfde voetbalclub. In de pauze waren ze altijd samen en na schooltijd
speelden ze samen op straat. Toch waren ze erg verschillend. Peter was een
echte blonde Fries en Jesse een Surinaamse Nederlander met kroeskrulletje en
ingeschoren patroontjes in zijn haar. Maar wie kan het wat schelen dat Jesse
een paar duizendste van een milligram kleurstof meer had dan Peter? Niemand
toch? De weegschaal slaat er niet eens van door. Nou dan! Op een dag echter,
kwam er bijna een eind aan hun vriendschap en dat kwam door een paar skinheads
bij de patatzaak. Hoor maar!
'Peter, ik heb geen zin om vandaag te koken,' zei Peters
moeder op een dag, 'Wil jij patat gaan halen bij de patatzaak? Hier is geld.
Kijk uit voor die grote jongens die daar altijd rondhangen, hè? Pas goed op je
geld.'
'Ja mam,' zei Peter opgewekt. Sjonge, was dat even
boffen. Ze aten lekker patat vandaag. Hoi, hoi! Peter liep onderweg nog even na
te denken over die jongens waar moeder het over had. Ja, dat waren echte
branieschoppers. De meesten hadden hun hoofd kaal geschoren. Ze pronkten graag
met hun dure brommers en waren echte racisten. Voor hen moesten alle
buitenlanders het land uit. Vader vertelde wel eens, dat de politie hen in de
gaten hield, omdat ze 's nachts hakenkruisen op de muren kalkten. Toen Peter de
hoek van het plein omging, merkte hij al gelijk dat er iets goed mis was. De
skinheads stonden te lachen en te schreeuwen voor de patatzaak. Ze hadden hun
brommers op de stoep gezet, zodat je er bijna niet doorkon. Een paar van hen
pestten een bruine jongen. Ze draaiden zijn arm op de rug en het kind gilde het
uit van de pijn. Peter schrok, aarzelde of hij wel door zou lopen. Kon hij maar
niet beter...
'Peter, help!' hoorde hij schreeuwen. Het was... Jesse,
waar ze mee bezig waren. Zijn eigen vriend Jesse. Die moest hij gaan helpen.
Snel dook Peter achter een dikke boom weg, om de situatie in ogenschouw te
nemen. Maar het was al te laat.
'Daar hebben we het negervriendje!' zei iemand achter
hem en een felle pijn sneed door Peters arm toen één van de skinheads hem
onverwachts van achteren vastpakte.
'Kijk uit!' riep Jesse nog, maar Peter werd al
meegesleurd naar de groep. Aan de overkant van de straat deed een oude dame de
overgordijnen dicht om er niets mee te maken te hebben. Die was natuurlijk
bang.
'Als ze nou maar tenminste de politie belt,' dacht Peter
wanhopig.
Jesse werd vreselijk gepest en Peter schreeuwde dat ze
hem los moesten laten, maar toen keerden ze zich tot hem. Ze draaiden zijn arm
gemeen om en vroegen sarcastisch: 'O ja, ben jij soms zijn vriendje?'
'Nee, nee!' riep Peter bang, 'Hij is mijn vriend niet.'
'Jawel!' sarden de knullen, terwijl ze hem in zijn rug
duwden. 'Jij bent zijn vriendje wel. Hij riep jouw naam.'
'Nee! Nee!' ontkende Peter heftig, 'Echt niet!'
Even lieten ze hem los, alsof ze twijfelden, maar toen
kwam de dikste van de knullen dreigend op hem af en zei: 'Jawel! Ik ken je. Jij
bent wel zijn vriendje. Ik zie jullie altijd samen naar school gaan.'
'Nee, ik zweer het.' riep Peter met vertrokken gezicht.
'Dat is iemand anders.'
Tettuuttettuuttettuuut!
Met loeiende sirene kwam er een politiewagen om de hoek.
Gelukkig, de oude dame had toch gebeld. De knullen sprongen vliegensvlug op hun
brommers en schoten er vandoor.
Jesse bleef huilend achter, maar Peter vloog zo gauw hij
kon naar huis. Helemaal over zijn toeren vertelde hij aan vader en moeder wat er
was gebeurd. Die namen natuurlijk meteen contact op met de politie. Diezelfde
avond nog werd de bende opgepakt. De politie had nog wel een appeltje te
schillen met hen, vanwege een aantal inbraken die ze hadden gepleegd.
Maar deze dag had toch een breuk tussen Jesse en Peter
gebracht. Peter voelde zich zo rottig dat hij zijn vriendje had verloochend en
Jesse voelde zich verraden. De volgende ochtend ontliepen ze elkaar min of
meer. Peter durfde niet de kant van Jesse uit te kijken en Jesse ging in de pauze
met andere jongens spelen. Nog nooit hadden de twee jongens zoveel fouten in
hun rekenen gemaakt als die morgen.
'Hoe moet ik het weer goedmaken?' dacht Peter maar
steeds.
'Wat laf van Peter.' dacht Jesse verongelijkt.
Maar toch was hij degene die het initiatief nam om het
weer goed te maken. Hij dacht aan het verhaal, dat moeder hem wel eens had
voorgelezen uit de Kinderbijbel. Dat verhaal van Petrus, die Jezus
verloochende. Jezus had Petrus niks kwalijk genomen. Petrus was gewoon Jezus'
vriend gebleven.
'Hé, Peter.' zei Jesse toen ze in de gang hun jassen
aantrokken. 'Dat van gisteren... zand erover, hè? Zullen we vanmiddag met mijn
playmobiel gaan spelen, bij mij thuis?'
Wat was Peter blij dat het weer goed was. Hij kreeg er
gewoon een rode kleur van.
En dat was de start van een
vriendschap die nooit meer stuk kon. Peter en Jesse. Twee dikke vrienden. Met
de armen om elkaars schouder, liepen ze de schooldeur uit.