NT56 - Laat hen dan
gaan
Geschreven door Josine de Jong
(zie bijbelverhalen.nl)
Klikklak klikklak. Rinkedekinkel.
Door de donkere straten van
Jeruzalem marcheert een legertje tempelpolitie. Daar waar de maan de straatjes binnendringt glimmen grijze helmen en scherpe speerpunten.
Licht, donker, licht donker. Zwaarden, fakkels, harnassen…
De slapende bewoners van de
stad op hun dunne matrassen horen het wel. Sommigen staan op en gluren door een
kiertje van de deur of vanachter een gordijn. Waar gaan die soldaten naar toe?
Een gure wind blaast door de
steegjes en door de kieren van deuren en ramen. Rillend kruipen de mensen weer
onder hun dunne dekens. Dit belooft niet veel goeds.
Sommigen weten wel waar de
schoen wringt. Het is Pesachfeest en rabbi Jezus is
in Jeruzalem. De vele confrontaties tussen hem en de schriftgeleerden
worden dagelijks uitgebreid besproken in de werkplaatsen en huizen van de
mensen.
In een olijvenboomgaard aan
de overkant van de beek Kidron liggen negen mannen lekker
te slapen. Het zijn discipelen van Jezus. Ze hebben hun jassen strak om zich
heen getrokken en beschutting gezocht onder wat struikgewas. De olijfbomen
steken hun kromme kronkelige takken naar de hemel alsof ze hen willen
beschermen. Een enkeling draait zich onrustig om, mompelt wat in zijn slaap.
Maar kijk, daar, een eindje
verder zijn nog drie mannen, Petrus, Jakobus en
Johannes. Ze zitten met hun rug tegen een boom, hun handen gevouwen in gebed,
hun ogen gesloten. Bidden ze? Aan hun gebedsdoeken te zien wel, maar aan het knikkebollen
kun je merken dat ze ingedut zijn. Maar dat mag niet! Dit kan echt niet. Die
discipelen zijn namelijk Jezus’ dekking in de rug. Zijn gebedsdekking. Daarvoor zijn ze uitgezocht. Dat heeft de
meester hen gevraagd.
‘Bid met me mee,’ zei hij.
‘Ik ga een eindje verderop met mijn Vader praten.’
Jezus voelt zich onrustig en
angstig. Hij weet wat hem te wachten staat. Gevangenneming, marteling en
tenslotte kruisiging. Er staat hem een zware tijd te wachten. De discipelen zien
hem wankelend weglopen. Ze weten niet goed wat er aan de hand is. Jezus heeft het tijdens de maaltijd wel over zijn lijden en
sterven gehad, maar ze hadden er maar weinig van begrepen.
‘O Vader, als het mogelijk
is…, ik ben doodsbang… Vader, laat het niet gebeuren.’
Jezus ligt geknield op de harde grond. Zijn knieën en
armen doen pijn, maar dat voelt hij niet door de grote angst, die zijn hart
samenknijpt. Ja echt!
Al die verhalen die jij hebt
gehoord over Jezus, die zieken beter maakt en die iedereen het juiste antwoord
kan geven… hij is ook mens. Hij heeft een lichaam, dat pijn kan lijden. Hij
heeft een ziel die keuzes moet maken net als wij.
Lijden of vluchten. Dat is
de vraag.
Er staan belangrijke dingen
op het spel. Als Jezus niet de redder van de wereld wordt, dan is er niemand.
Dan zijn we allemaal verloren.
Grote zweetdruppels vallen
langs Jezus’ kin op de grond, waar ze in het licht van de maan rode
bloeddruppels lijken…
‘Vader, o Vader…ik wil wel,
maar… ik voel me zo zwak. Alstublieft, hoeft het niet…!’
Eigenlijk, als je het goed
bekijkt, wordt hier een gevecht geleverd. Gaat Jezus voor zijn eigen welzijn of
zal hij de mensheid redden? Traag strijken de minuten voorbij.
Het lijkt of heel de
schepping de adem inhoudt.
Tenslotte geeft Jezus zich over aan Gods wil, hoe moeilijk dat
ook is.
De soldaten zijn inmiddels door het hek de olijftuin binnen gemarcheerd.
‘’ Hé, ho! Wat is er aan de
hand?’
De slapende discipelen zijn
meteen klaar wakker. Petrus, agressief mannetje, trekt
zijn zwaard om Jezus te redden. Hij hakt in het rond en slaat wams! het oor van een soldaat
eraf. Gelukkig ziet Jezus de soldaat niet als vijand. Hij geneest het oor en
geeft Petrus een vermaning.
Dan richt hij zich tot de
officier.
‘Wie moeten jullie eigenlijk
hebben?’
‘Jezus
van Nazaret!’ snauwt de officier.
‘Dat ben ik!’ zegt Jezus,
‘Als jullie mij zoeken, laat mijn discipelen dan gaan.’
Wow! Stoer zeg!
De woorden blijven even
hangen in de lucht en zweven dan naar de sterren en de verre planeten. Ze
zweven naar alle werelddelen, over alle heuvels en bergen, over zee en land.
Ook alle eeuwen door totdat zelfs jij ze kunt horen.
‘Neem mij maar en laat hen
gaan.’
Die nacht horen de inwoners
van Jeruzalem de soldaten weer langskomen.
De enkeling die naar buiten
kijkt ziet dat ze één arrestant meevoeren, iemand die geen kip kwaad doet, maar
die het opneemt voor zijn mensen.