NT37 - De
discipel die alles verloor!
Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)
Er was een man, die Wiebel heette. Gekke
naam, maar hij was ook echt een wiebel. Hoor maar. Op
een dag kwam meneer Ritch in
het dorp van Wiebel en die vertelde, dat hij een grote bank vertegenwoordigde.
Als iemand zijn geld op die bank zou zetten, kreeg hij na een tijdje veel rente
erbij. Hoe langer het geld op de bank stond, hoe rijker je werd. Wiebel voelde er wel voor. Hij ging op het aanbod in. Maar
na een tijdje kreeg hij twijfels. Zou zijn geld echt wel veilig zijn? Je hoorde
van zoveel oplichters. ’s Nachts kon hij er gewoon niet van slapen.
‘Ik heb er al mijn geld in gestoken, als dat op een fiasco
uitloopt, waar moet ik dan van leven.’dacht hij. Hij besloot zijn geld terug te
gaan halen.
‘Meneer Wiebel,’zei meneer Ritch, ‘denk goed na wat u doet. U kunt uw geld
terugkrijgen, maar dan gaan er wel administratiekosten af. Al de rente die u
hebt opgebouwd is dan weg.’
Wiebel dacht na: ‘Ik kom morgen wel terug,’zei hij, ‘laat
maar zitten.’
Zou hij nou wel, zou hij nou niet… Hij besloot het zekere voor het
onzekere te nemen en zijn geld terug te halen. De avond daarna telde Wiebel
zijn bankbiljetten. Het waren er minder dan eerst, maar hij had tenminste wat in handen. Pfoe!
Bijna was hij er in gestonken. Hij stopte al zijn geld in een aardewerk potje
en zette het op de hoogste plank in de kast.
Die nacht werd er ingebroken bij hem. Toen hij opstond lag
het potje gebroken op de grond. Meneer Wiebel had niets meer over om van te
leven!..
Net zoals Judas van Iskariot, een van de twaalf
discipelen van Jezus.
Soms ging het tijden goed. Dan luisterde Judas naar Jezus en
dan voelde hij een grote vrede in zijn hart. Hij keek zijn meester aan en
voelde zich intens gelukkig. Een arm van Jezus om hem heen, een bemoedigende knik
en Judas’ gezicht verzachtte zich. Zijn ogen verloren het opgejaagde,
achterdochtige, wantrouwende.
Maar er waren tijden… Dan leek het wel of hij gehypnotiseerd
werd door een valse demon,
met van die lange graaiende vingers en een gespleten tong. Dan veranderde
de uitdrukking op Judas’ gezicht. Hij stal geld uit de portemonnee die van
allemaal was, hij zag overal handel in.
Hij praatte vroom met de groep mee, maar in zijn hart
broedde hij op winst, zakendoen, geld verdienen. ‘Als
Jezus koning wordt, wordt jij vast en zeker minister van financiën,’ fluisterde
het gemene stemmetje in Judas oren. ‘Nog even… Slim zijn, niks aan de anderen
laten merken en zeker niet aan Jezus.’ Maar Judas besefte niet dat Jezus al
zijn gedachten kende.
Over de donkere straten en wegen loopt een schimmige figuur,
zijn hoofd diep in zijn jas gedoken. Het is Judas, hij is helemaal alleen. Van
schaduwvak tot schaduwvak loopt hij, schuw om zich heen kijkend. Wordt hij niet
gevolgd?
Waar zijn de anderen? Moet hij geen pesachfeest
vieren met Jezus en zijn vrienden? Dit is de mooiste avond van het jaar.
Iedereen zit thuis gezellig aan de maaltijd en gedenkt de bevrijding uit
Egypte. Judas, wat mankeert je?
Nee, Judas hoofd staat niet naar feest. Diep in hem brandt
een vuur van boosheid. Wat is hij toch stom geweest om zo hoog in te zetten op
Jezus. Alles had het hem gekost, zijn privé-leven,
zijn goeie baan, zijn toekomst, heel zijn hebben en
houwen. En alles voor niks, voor een dromer met mooie idealen. Jezus
was niet de toekomstige bevrijder van Israël. Naar die goeie
baan als minister van financiën kon hij ook wel fluiten…
Hoe kon hij zo blind zijn geweest! Maar goed dat hij
verleden week die afspraak had gemaakt met de overpriesters.
Onwillekeurig gaat Judas’ hand naar de beurs, die aan zijn
gordel hangt.
Dertig dikke vette zilverstukken zitten, niet om aan de
armen te gaan geven, maar om een nieuwe zaak te kopen.
‘Judas,’ zeiden de overpriesters grijnzend, toen hij hen had gevraagd wat ze
ervoor over hadden om Jezus aan hen uit te leveren, ‘Jezus is een gevaar voor
ons land en volk. Dat roepen we al een hele tijd. ’
Ze hadden hem de buidel met geld toegeworpen met de woorden:
‘Zodra je weet waar hij is kom je het ons maar vertellen.’
Eigenlijk had hij gehoopt op meer, als je eraan dacht
hoeveel hij er in had gestoken...
Even, heel even maar had Judas getwijfeld of hij er wel goed
aan deed om Jezus te verraden. ’t Was zo fijn geweest
daar in de bovenzaal, zo veilig, zeker nadat Jezus hun allemaal de voeten had
gewassen. Hoewel… wat had Jezus bedoeld met de woorden: ‘Jullie zijn schoon,
maar niet allemaal?’
Jezus’ ogen waren zo vreemd vochtig toen hij hem aankeek…
Het waren de ogen van een lam, dat naar de slachting ging. Die blik stak Judas
in zijn hart als een dolk. Gelukkig merkten de anderen er niks
van.
‘Laat maar kletsen,’zei het sluwe
stemmetje van binnen, ‘je handelt in opdracht van de geestelijke leiders van
het volk. De hogepriester is een gezalfde van God!’
O pas op! Judas botst bijna in het donker tegen iemand op.
Het is de bewaker van de Olijventuin, die het hek vast geopend heeft voor Jezus
en zijn discipelen. Vannacht zullen ze daar met z’n
allen slapen. Dat hebben ze al vaker gedaan.
‘He, Judas,’zegt de bewaker verbaasd.’ben je niet bij de
anderen in de opperzaal?’
Judas bromt iets in zijn baard van: ‘Even geld aan de armen
brengen.’ En rent verder, struikelend over zijn lange opperkleed. Even later sliffen zijn sandalen over het bruggetje, dat naar de
tempelingang leidt. Vlug, vlug, hij heeft geen tijd te verliezen… Vanavond moet
het gebeuren.
‘Een van jullie zal mij vanavond verraden, dat verzeker ik
jullie,’had Jezus gezegd toen ze tenslotte lekker aan
de maaltijd zaten. Het leek wel of er een bom insloeg! Iedereen sprong op.
Judas voelde zich ontdekt. Het geld brandde als een vuur op zijn zij. Als de
anderen niet zo opgewonden geschreeuwd hadden, zou hij beslist door de mand
gevallen zijn. Maar nu kon hij zich gewoon stil houden. Dat merkte niemand.
‘Ik ben het toch niet, Heer? En ik?
Ik soms? Ik zal u nooit, nooit in de steek laten.’zo klonk het door elkaar.
‘Wie met mij de hand in de schotel heeft gedoopt, die is
het,’ zei Jezus.
‘Ik ben het toch niet Rabbi,’ zei Judas en doopte zijn hand
in de schotel.
‘Judas, wat je moet doen, doe dat snel,’ was het bedroefde
antwoord van de Heer. ‘De Schriften moeten vervuld worden.’
Zo was Judas vertrokken. ‘Snel, snel,’zei het satanische
stemmetje binnen in hem.
Hijgend en puffend komt Judas de vergaderzaal binnenvliegen.
‘Vanavond!’schreeuwt hij rauw. ‘In de tuin van Gethsemané. Maar laat mij erbuiten.’
Te laat. Judas moet mee met de groep tempelsoldaten omdat
alleen hij Jezus kan aanwijzen in het donker.
‘Ik zal hem een kus geven.’ Rauw en raspend komen de woorden
diep uit Judas’ keel. Was hij het zelf die daar sprak? Of was het de stem van
de demon.
Die avond verloor Judas alles, zelfs zijn leven.